Een warmtepomp kan uw woning energiezuinig verwarmen, maar produceert tijdens het gebruik geluid. Vooral de buitenunit met een ventilator en compressor is hoorbaar. Bij een goed gekozen en vakkundig geplaatste installatie blijft dit geluid meestal beperkt. Problemen ontstaan vooral wanneer de buitenunit op een ongunstige plaats staat, trillingen doorgeeft aan de woning of regelmatig op vol vermogen moet draaien. Het is daarom belangrijk niet alleen te kijken naar het vermogen van de warmtepomp. Ook de plaatsing, bevestiging, instellingen en afstand tot omliggende woningen bepalen hoeveel geluid u uiteindelijk hoort.
Hoeveel geluid mag een warmtepomp maken?
Voor een buitenunit bij een woning geldt volgens het Besluit Bouwwerken Leefomgeving een maximale waarde van 40 dB op de grens met een aangrenzend woonperceel. Wanneer de warmtepomp een aparte instelling voor overdag heeft, mag bij de berekening tussen 07.00 en 19.00 uur worden uitgegaan van maximaal 45 dB. In de avond en nacht blijft de grenswaarde 40 dB. Bij woningen op verschillende percelen wordt het geluid beoordeeld op de perceelgrens. Bij appartementen op hetzelfde perceel geldt de grens bij een raam of deur die geopend kan worden van een aangrenzende woning. Ligt er bijvoorbeeld een openbare weg tussen beide percelen, dan is de beoordeling anders. De regels worden toegelicht door het Informatiepunt Leefomgeving.
Een vaste minimale afstand tussen een warmtepomp en de erfgrens bestaat niet. Een buitenunit mag dus relatief dicht bij de erfgrens staan, zolang uit de berekening blijkt dat het geluid daar binnen de toegestane waarde blijft.
Kijk naar het geluidsvermogen en de geluidsdruk
In de technische gegevens van een warmtepomp staan vaak meerdere geluidswaarden. Het geluidsvermogen, aangeduid als LwA, geeft aan hoeveel geluid het toestel zelf produceert. De geluidsdruk, aangeduid als LpA, is het geluid dat op een bepaalde afstand wordt waargenomen. Deze waarden zijn niet onderling uitwisselbaar. Een buitenunit met een geluidsvermogen van 60 dB veroorzaakt op de erfgrens niet automatisch 60 dB. De uiteindelijke geluidsdruk hangt onder meer af van de afstand, het vermogen waarop de warmtepomp draait en de weerkaatsing door gevels en schuttingen. Bij een verdubbeling van de afstand neemt het geluidsniveau in een vrije situatie doorgaans met ongeveer 6 dB af. Wordt op 1 meter bijvoorbeeld 52 dB gemeten, dan is dat theoretisch ongeveer 46 dB op 2 meter en 40 dB op 4 meter. In een tuin met muren en andere weerkaatsende oppervlakken kan de afname kleiner zijn. Een berekening voor de werkelijke situatie blijft daarom nodig.
Bepaal de afstand tot de erfgrens met een berekening
Hoeveel afstand nodig is, verschilt per toestel en woning. Een stille buitenunit kan soms op enkele meters van de erfgrens worden geplaatst. Bij een toestel met een hoger geluidsvermogen kan meer afstand of aanvullende geluidsdemping nodig zijn. Iedere afname van 3 dB betekent een halvering van de geluidsenergie. Een verlaging van ongeveer 10 dB wordt door mensen doorgaans ervaren als ongeveer een halvering van de luidheid. Een verschil van enkele decibels kan dus al merkbaar zijn, maar een zeer stille situatie vraagt om een grotere verlaging.
Vooraf controleren wij onder meer:
- Het maximale geluidsvermogen van de buitenunit
- De kortste afstand tot de perceelgrens
- De positie van ramen en slaapkamers
- De aanwezigheid van gevels, muren en schuttingen
- De richting waarin de ventilator uitblaast
- Het benodigde verwarmingsvermogen bij koud weer
Met deze gegevens kan worden berekend of de buitenunit aan de toegestane waarde voldoet.
Kies de juiste montageplaats
Plaats de buitenunit bij voorkeur vrij en niet in een smalle doorgang of hoek. Een harde gevel kan het geluidsniveau met ongeveer 3 dB verhogen. Tussen twee harde oppervlakken kan dit ongeveer 6 dB zijn. Richt de uitblaasopening daarom niet rechtstreeks op een gevel, terras, slaapkamerraam of de tuin van de buren. Houd ook voldoende ruimte rondom het toestel vrij voor een goede luchtstroom.
Zorg daarnaast dat trillingen niet via de gevel, het dak of de leidingen de woning bereiken. Plaatsing op een stevige ondergrond met passende trillingsdempers heeft vaak de voorkeur. Bij gevelmontage zijn stevige beugels met demping nodig, vooral bij houten of lichte constructies. Ook leidingen mogen niet strak tegen muren of vloeren liggen, omdat anders binnen een lage bromtoon kan ontstaan
Laat de situatie vooraf berekenen
Geluidsoverlast voorkomt u vooral door vóór de installatie de juiste keuzes te maken. Onze specialisten controleren het maximale geluidsvermogen, de afstand tot de perceelgrens, mogelijke weerkaatsing en de overdracht van trillingen. Zo kan vooraf worden bepaald welke warmtepomp en opstelplaats bij uw woning passen.